
De invaliditeitsuitkering is het vervangingsinkomen dat u krijgt als u na een jaar arbeidsongeschiktheid nog altijd niet kunt werken door ziekte of een ongeval in de privésfeer. Ze valt onder de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering van het RIZIV en wordt uitbetaald door uw ziekenfonds. Als werknemer of werkloze krijgt u 65 %, 55 % of 40 % van uw begrensde brutoloon; een regelmatige werknemer met gezinslast krijgt in de invaliditeit sinds 1 september 2026 minstens 82,64 € per dag. Hieronder leest u de voorwaarden, de bedragen en de stappen bij uw ziekenfonds, en welke andere steun u bij een langdurig gezondheidsprobleem nog kunt krijgen.
Wat is de invaliditeitsuitkering en wat is het verschil met de primaire arbeidsongeschiktheid
Wanneer u door ziekte of een ongeval niet meer kunt werken, betaalt uw ziekenfonds u na het gewaarborgd loon van uw werkgever eerst een primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering. Die periode duurt maximaal een jaar. Als werknemer krijgt u dan 60 % van uw brutodagloon, binnen het loonplafond. Bent u na dat jaar nog altijd arbeidsongeschikt, dan begint de periode van invaliditeit en krijgt u een invaliditeitsuitkering.
Het verschil zit dus in de duur, maar ook in wie beslist. Tijdens het eerste jaar volgt de adviserend arts van uw ziekenfonds uw dossier op. Na een jaar doet die adviserend arts, of een medewerker van het multidisciplinaire team van uw ziekenfonds, een voorstel aan de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit (GRI) van het RIZIV. Het is de GRI die beslist of u als invalide erkend wordt.
De uitkeringsverzekering geldt voor werknemers, werklozen, zelfstandigen en mijnwerkers. Statutaire ambtenaren vallen er niet onder: voor hen geldt een ander stelsel. Is uw ongeschiktheid het gevolg van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, dan gelden er weer andere regels en vergoedingen.
De invaliditeitsuitkering is ook niet hetzelfde als een tegemoetkoming voor personen met een handicap, zoals de inkomensvervangende tegemoetkoming (IVT) van de FOD Sociale Zekerheid. De invaliditeitsuitkering is een vervangingsinkomen uit de sociale zekerheid, zolang u medisch erkend arbeidsongeschikt bent. Ze kan doorlopen tot u de wettelijke pensioenleeftijd bereikt.
Voorwaarden voor de invaliditeitsuitkering
De eerste voorwaarde is medisch. U moet alle werk stopgezet hebben om gezondheidsredenen. Als werknemer of werkloze moet u bovendien minstens 66 % ongeschikt zijn om te werken. Is er een grote kans op genezing, dan toetst de adviserend arts uw toestand tijdens de eerste zes maanden aan uw laatste beroep. Anders, en in elk geval daarna, kijkt de arts naar alle beroepen die u ooit hebt uitgeoefend of met uw opleiding zou kunnen uitoefenen.
De tweede voorwaarde is administratief: u moet voldoende verzekerd zijn. Als voltijdse werknemer of werkloze doorloopt u een wachttijd van 12 maanden waarin u minstens 180 dagen gewerkt hebt (of daarmee gelijkgestelde dagen); als deeltijdse werknemer zijn dat 800 uren. Tussen het einde van uw statuut als werknemer of werkloze en het begin van uw ongeschiktheid mogen niet meer dan 30 dagen liggen. Een zelfstandige heeft een wachttijd van zes maanden, met sociale bijdragen voor twee kwartalen.
| Voorwaarde | Details |
| Medische erkenning | Alle werk stopgezet; voor werknemers en werklozen minstens 66 % arbeidsongeschikt, vastgesteld door de adviserend arts |
| Primaire periode doorlopen | Eerst een volledig jaar primaire arbeidsongeschiktheid |
| Erkenning als invalide | Beslissing van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit (GRI) van het RIZIV |
| Wachttijd werknemer of werkloze | 12 maanden met minstens 180 dagen (voltijds) of 800 uren (deeltijds) |
| Wachttijd zelfstandige | 6 maanden, met sociale bijdragen voor twee kwartalen |
| Aangifte bij het ziekenfonds | Binnen 14 kalenderdagen (arbeiders), 28 kalenderdagen (bedienden) of 7 kalenderdagen (werklozen en zelfstandigen) |
Bij de aangiftetermijnen telt voor arbeiders en bedienden de eerste dag van de ongeschiktheid mee, voor werklozen en zelfstandigen niet. Valt de laatste dag op een zaterdag, zondag of feestdag, dan hebt u tijd tot de eerstvolgende werkdag. Meer over die termijnen en over de eerste maanden van uw ziekte leest u in ons artikel over arbeidsongeschiktheid.
Hoeveel bedraagt de invaliditeitsuitkering in 2026
Voor werknemers en werklozen is de invaliditeitsuitkering een percentage van uw gederfde brutoloon, begrensd door een loonplafond. Het percentage hangt af van uw gezinssituatie: 65 % als u gezinslast hebt, 55 % als u alleenstaande bent en 40 % als u samenwonende bent. Daarnaast gelden er minimum- en maximumbedragen per dag. Het gaat om brutobedragen per uitkeringsdag, in een zesdagenweek.
U hebt gezinslast als u samenwoont met uw echtgenoot, feitelijke partner, kind of een bloed- of aanverwant tot de derde graad die financieel van u afhangt, of als u alleenstaande bent en minstens 111,55 € per maand onderhoudsgeld betaalt op basis van een rechterlijke beslissing of notariële akte. U bent alleenstaande als u alleen woont of samenwoont met personen zonder enig inkomen, of als u daarmee gelijkgesteld wordt. In de andere gevallen bent u samenwonende. Verwar die indeling niet met die van andere sectoren, zoals de werkloosheid, de gezinsbijslag of het pensioen.
Minimum- en maximumbedragen voor werknemers vanaf 1 september 2026
| Gezinssituatie | Percentage | Minimum per dag (regelmatige werknemer) | Maximum per dag (invalide vanaf 2024) |
| Met gezinslast | 65 % | 82,64 € | 122,95 € |
| Alleenstaande | 55 % | 65,56 € | 104,28 € |
| Samenwonende | 40 % | 56,21 € | 76,21 € |
De minimumbedragen in de tabel gelden voor een regelmatige werknemer. Voor een niet-regelmatige werknemer ligt het minimum lager: 71,07 € per dag met gezinslast en 52,59 € zonder gezinslast. De maximumbedragen gelden voor wie sinds 1 januari 2024 invalide is; wie vroeger invalide werd, heeft een iets ander maximum, afhankelijk van het jaar waarin de invaliditeit begon.
De bedragen volgen de gezondheidsindex. Op 1 maart 2026 stegen ze met 2 %. Op 1 september 2026 kwam er een centenindex bij: de meeste uitkeringen stegen opnieuw met 2 %, maar boven 76,9231 € per dag bedraagt de verhoging maximaal 1,54 € per dag.
Invaliditeitsuitkering voor zelfstandigen
Ook zelfstandigen krijgen hun uitkering via hun ziekenfonds, maar als forfaitair bedrag per dag, los van hun inkomen. Het RSVZ (Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen) bepaalt of uw periode van arbeidsongeschiktheid wordt gelijkgesteld voor uw pensioen. Dat bepaalt of u een uitkering met of zonder stopzetting van uw onderneming krijgt.
| Gezinssituatie | Met stopzetting (per dag) | Zonder stopzetting (per dag) |
| Met gezinslast | 82,64 € | 82,64 € |
| Alleenstaande | 65,56 € | 65,56 € |
| Samenwonende | 56,21 € | 50,28 € |
Is uw gezinsinkomen laag, dan hebt u mogelijk recht op de verhoogde tegemoetkoming, waardoor u minder betaalt voor dokter en ziekenhuis. Die staat los van de invaliditeitsuitkering zelf. Bekijk ook de regels van de maximumfactuur, die uw jaarlijkse zorgkosten begrenst.
Hoe vraagt u de invaliditeitsuitkering aan: stap voor stap
U vraagt de invaliditeitsuitkering niet apart aan. Alles begint met de aangifte van uw arbeidsongeschiktheid bij uw ziekenfonds, zodra u niet meer kunt werken. Die aangifte is bepalend voor uw hele dossier: een te late aangifte kost u een deel van uw uitkering. Bent u na het eerste jaar nog altijd arbeidsongeschikt, dan legt uw ziekenfonds uw dossier voor aan de GRI, die over de invaliditeitsperiode beslist.
De centrale speler is uw ziekenfonds. U kunt kiezen uit de vijf landsbonden van ziekenfondsen of de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (HZIV). Het ziekenfonds berekent en betaalt uw uitkering; het RIZIV beslist via de GRI over de erkenning als invalide. U hoeft in de regel niet rechtstreeks bij het RIZIV aan te kloppen: de aangifte, de berekening en de betaling verlopen via uw ziekenfonds. Voor een medische controle kan het RIZIV u wel oproepen. Op welke dagen uw ziekenfonds de uitkering stort, leest u in onze kalender voor de uitbetaling van de invaliditeit.
Stap 1: aangifte van arbeidsongeschiktheid
Zodra u niet meer kunt werken, laat u uw arts een getuigschrift van arbeidsongeschiktheid invullen en bezorgt u het aan uw ziekenfonds. Dat moet binnen 14 kalenderdagen (arbeiders), 28 kalenderdagen (bedienden) of 7 kalenderdagen (werklozen en zelfstandigen). Sinds 1 januari 2026 geldt een getuigschrift voor hoogstens drie maanden, telkens verlengbaar met drie maanden. Duurt uw ongeschiktheid langer dan 14 dagen, dan stuurt uw huisarts het getuigschrift sinds die datum elektronisch door.
Stap 2: opvolging door de adviserend arts
Uw ziekenfonds legt uw dossier voor aan de adviserend arts, die uw medische toestand beoordeelt. Die kan u oproepen voor een onderzoek of bijkomende medische documenten vragen; bezorg dus tijdig de attesten van uw specialist en van een ziekenhuisopname.
Ongeveer 10 weken na de start van uw ongeschiktheid vraagt de adviserend arts u een vragenlijst in te vullen, die u binnen twee weken terugbezorgt. In de vierde maand volgt een eerste inschatting van wat u nog kunt. Lijkt werkhervatting mogelijk en geeft u aan opnieuw te willen werken, dan verwijst de adviserend arts u door naar de Terug-naar-werkcoördinator van uw ziekenfonds; het eerste contact vindt uiterlijk in de zesde maand plaats. Het medisch onderzoek waarvoor u wordt opgeroepen, is verplicht: blijft u zonder geldige reden weg, dan krijgt u geen uitkeringen meer.
Stap 3: erkenning als invalide na een jaar
Na de primaire periode van een jaar stelt de adviserend arts, of een medewerker van het multidisciplinaire team, voor om u als invalide te erkennen. De Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het RIZIV onderzoekt dat voorstel en beslist. Wordt u erkend, dan krijgt u vanaf dan de invaliditeitsuitkering in plaats van de primaire uitkering, berekend volgens de percentages van 65 %, 55 % of 40 %.
Stap 4: periodieke herziening
Ook als invalide blijft u onder medische opvolging. De GRI kan uw erkenning verlengen, op voorstel van de adviserend arts of het multidisciplinaire team, of beëindigen; ook de adviserend arts kan uw arbeidsongeschiktheid beëindigen. Bent u het niet eens met een beslissing die een einde maakt aan uw erkenning, dan kunt u ze aanvechten bij de arbeidsrechtbank van uw woonplaats, binnen drie maanden na de kennisgeving.
Invaliditeitsuitkering en werken: toegelaten arbeid en re-integratie
Een invaliditeitsuitkering ontvangen en toch gedeeltelijk werken kan, met de toestemming van de adviserend arts. Men spreekt dan van toegelaten arbeid of progressieve werkhervatting. Het werk moet passen bij uw gezondheidstoestand, en uw geschiktheid moet medisch met minstens 50 % verminderd blijven. De toestemming geldt voor hoogstens twee jaar en kan verlengd worden.
U meldt de werkhervatting aan uw ziekenfonds en vraagt de toestemming van de adviserend arts uiterlijk de laatste werkdag vóór u begint. U mag al beginnen voor u de schriftelijke toestemming hebt; de adviserend arts beslist binnen 30 werkdagen. Werkt u als werknemer hoogstens een vijfde (20 %) van een voltijdse job, dan vermindert uw uitkering niet. Werkt u meer, dan daalt ze met het deel boven die 20 %: werkt u halftijds, dan daalt uw uitkering dus met 30 %.
Voor zelfstandigen gelden andere regels; meer over een zelfstandige activiteit naast een uitkering leest u bij zelfstandige in bijberoep. Kunt u uw vroegere job definitief niet meer uitoefenen, dan kan de procedure van medische overmacht uw arbeidsovereenkomst beëindigen.
De invaliditeitsuitkering loopt zolang u erkend bent, maar niet eindeloos. Begon uw ongeschiktheid vóór de wettelijke pensioenleeftijd, dan stoppen de uitkeringen vanaf de maand na die waarin u de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Bij de Federale Pensioendienst (FPD) kunt u nagaan hoe uw pensioen vanaf die datum geregeld wordt; lees ook hoe de FPD uw pensioen berekent.
Andere steunmaatregelen bij langdurige arbeidsongeschiktheid
De invaliditeitsuitkering is vaak niet de enige steun waarop u recht hebt. Afhankelijk van uw gezinssituatie, uw inkomen en uw aandoening komt u mogelijk in aanmerking voor aanvullende tegemoetkomingen en premies. Vraag een overzicht van uw rechten aan de sociale dienst van uw ziekenfonds of aan het OCMW.
Hebt u kinderen ten laste, dan krijgt u in Vlaanderen het Groeipakket, met sociale toeslagen voor gezinnen met een laag inkomen. Voor kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte bestaat de zorgtoeslag binnen het Groeipakket. Blijft uw totale inkomen te laag, dan kan het OCMW bekijken of u aanvullende hulp krijgt, bijvoorbeeld een medische kaart.
Bent u door uw aandoening zwaar zorgbehoevend geworden, dan bestaat het zorgbudget voor zwaar zorgbehoevenden van de Vlaamse sociale bescherming. Hebt u een handicap waarvoor u ondersteuning nodig hebt, dan kan de persoonsvolgende financiering een rol spelen. Die regelingen staan los van de federale invaliditeitsuitkering, maar ze kunnen elkaar aanvullen.