
Wanneer u door ziekte of een ongeval niet meer kunt werken, spreekt men van arbeidsongeschiktheid. U valt dan terug op een vervangingsinkomen dat via uw ziekenfonds wordt uitbetaald en dat deel uitmaakt van de federale ziekte- en invaliditeitsverzekering. In dit artikel leest u wie de eerste weken uw loon betaalt, binnen welke termijn u uw ongeschiktheid moet aangeven, hoeveel de uitkering bedraagt en wat er verandert zodra u langer dan zes maanden ziek bent.
Wat is arbeidsongeschiktheid en wie beslist erover
U bent arbeidsongeschikt wanneer u door een ziekte, een aandoening of een ongeval in uw privéleven uw werk niet langer kunt doen. Het gaat dus niet om de diagnose op zich, maar om het effect ervan op uw verdienvermogen. Iemand met een zwaar rugletsel kan volledig arbeidsongeschikt zijn voor werk op een bouwwerf en tegelijk in staat blijven om administratief werk te doen. Daarom kijkt de arts niet alleen naar uw aandoening, maar ook naar het beroep dat u uitoefende.
Concreet moet uw verdienvermogen met minstens 66 % verminderd zijn. De beslissing ligt niet bij uw huisarts en evenmin bij uw werkgever: het is de adviserend arts van uw ziekenfonds die uw arbeidsongeschiktheid erkent, verlengt of beëindigt. Die arts werkt volgens de regels van het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering), dat de uitkeringsverzekering beheert als tak van de sociale zekerheid. Uw behandelend arts levert het medisch getuigschrift af, maar het ziekenfonds beslist over uw recht op een uitkering.
Tijdens de eerste zes maanden toetst de adviserend arts uw toestand enkel aan uw laatst uitgeoefende beroep, op voorwaarde dat hij een grote kans op herstel ziet. Daarna wordt uw ongeschiktheid getoetst aan alle beroepen die u ooit hebt uitgeoefend of zou kunnen uitoefenen met uw opleiding. Die verruiming verklaart waarom een dossier na een halfjaar soms anders wordt beoordeeld dan in het begin.
Wie betaalt de eerste weken uw loon: het gewaarborgd loon
Niet het ziekenfonds, maar uw werkgever betaalt uw loon tijdens de eerste ziekteperiode door. Dat heet het gewaarborgd loon en het is geregeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Hoe lang die periode duurt en hoeveel u krijgt, hangt af van uw statuut: bediende of arbeider. Het onderscheid tussen beide is voor veel andere rechten afgeschaft, maar hier blijft het bepalend.
Bent u bediende met een contract van onbepaalde duur, dan betaalt uw werkgever 30 dagen lang 100 % van uw loon, ongeacht uw anciënniteit. Bent u arbeider, dan gelden getrapte percentages en moet u minstens één maand ononderbroken in dienst zijn. Een bediende met een contract van bepaalde duur van minder dan drie maanden valt onder dezelfde regeling als de arbeiders. Meer over wat uw contract u nog waarborgt, leest u in ons artikel over de rechten van de werknemer.
| Periode | Bediende (contract onbepaalde duur) | Arbeider |
| Dag 1 tot en met 7 | 100 % ten laste van de werkgever | 100 % ten laste van de werkgever |
| Dag 8 tot en met 14 | 100 % ten laste van de werkgever | 85,88 % ten laste van de werkgever |
| Dag 15 tot en met 30 | 100 % ten laste van de werkgever | 25,88 % van het deel onder het ZIV-plafond en 85,88 % van het deel erboven, ten laste van de werkgever, plus 60 % van het ziekenfonds |
| Vanaf dag 31 | Uitkering van het ziekenfonds | Uitkering van het ziekenfonds |
De carenzdag, de eerste onbetaalde ziektedag voor arbeiders, bestaat niet meer. Ze werd afgeschaft door de wet van 26 december 2013 over het eenheidsstatuut, met ingang van 1 januari 2014. Sindsdien hebben arbeiders net als bedienden recht op gewaarborgd loon vanaf de eerste dag, hoe kort de afwezigheid ook is.
Let ook op de regel bij herval. Wordt u opnieuw ziek kort nadat u het werk hebt hervat, dan telt dat in de regel als dezelfde ziekteperiode en betaalt uw werkgever geen tweede keer gewaarborgd loon. Voor ongeschiktheden vanaf 1 januari 2026 is die hervaltermijn verlengd van veertien dagen naar acht weken. Levert u een getuigschrift af waaruit een andere aandoening blijkt, dan geldt die regel niet.
Uw arbeidsongeschiktheid aangeven: de termijnen die u niet mag laten verstrijken
Zodra u ziek bent, verwittigt u onmiddellijk uw werkgever. Daarnaast moet u uw ongeschiktheid apart aangeven bij uw ziekenfonds, met het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid dat uw arts invult. Die twee stappen worden vaak verward, met een laattijdige aangifte als gevolg. De termijn hangt af van uw statuut en wordt in kalenderdagen geteld, niet in werkdagen.
Bij arbeiders en bedienden telt de eerste dag van de ongeschiktheid mee; bij werklozen en zelfstandigen begint de telling pas de dag nadien. Valt de laatste dag op een zaterdag, een zondag of een feestdag, dan schuift de termijn op naar de eerstvolgende werkdag. Voor een verlenging of een herval raadt het RIZIV aan om binnen zeven dagen aangifte te doen.
| Statuut | Termijn voor de aangifte | Telt de eerste dag mee? |
| Arbeider | 14 kalenderdagen | Ja |
| Bediende | 28 kalenderdagen | Ja |
| Werkloze | 7 kalenderdagen | Nee |
| Zelfstandige | 7 kalenderdagen | Nee |
Sinds 1 januari 2026 stuurt uw arts het getuigschrift elektronisch door naar uw ziekenfonds als uw ongeschiktheid langer dan veertien dagen duurt. Een getuigschrift geldt bovendien voor maximaal drie maanden en moet daarna telkens opnieuw worden opgemaakt. U blijft zelf verantwoordelijk voor de aangifte binnen de termijn.
Hoeveel bedraagt de uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Zodra het ziekenfonds overneemt, krijgt u 60 % van uw brutodagloon. Dat is de periode van de primaire arbeidsongeschiktheid, oftewel het eerste jaar. Dat loon wordt begrensd door een loonplafond: voor ongeschiktheden die begonnen zijn vanaf 2024 bedraagt dat plafond sinds 1 maart 2026 186,7916 € per dag, wat neerkomt op een maximumuitkering van 112,08 € per dag. Wie vroeger ziek werd, valt onder het lagere plafond van het jaar waarin zijn ongeschiktheid begon.
Alle bedragen zijn brutobedragen per dag in het zesdagenstelsel, van maandag tot en met zaterdag. Uw maandbedrag hangt dus af van het aantal vergoedbare dagen in die maand en u kunt het dagbedrag niet zomaar met dertig vermenigvuldigen. Naast dat maximum bestaan er minimumbedragen die vanaf de zevende maand volgens uw gezinssituatie worden opgesplitst.
| Gezinssituatie | Minimum vanaf de 7de maand (regelmatig werknemer) | Maximum in invaliditeit (ongeschikt vanaf 2024) |
| Met gezinslast | 81,10 € | 121,41 € |
| Alleenstaande | 64,27 € | 102,74 € |
| Samenwonende | 55,10 € | 74,72 € |
Bent u geen regelmatig werknemer, dan liggen de minima lager: 69,68 € per dag met gezinslast en 51,56 € zonder. In de eerste maanden gelden er andere minima: vanaf de derde maand is er één enkel minimum van 64,27 €, en vanaf de vierde maand wordt enkel het onderscheid gemaakt tussen wie gezinslast heeft en wie niet. De opsplitsing tussen alleenstaanden en samenwonenden begint pas in de zevende maand.
Deze bedragen zijn geïndexeerd op 1 maart 2026, met een aanpassing van 2 % aan de gezondheidsindex. Houd er wel rekening mee dat het om brutobedragen gaat: op een invaliditeitsuitkering kan boven bepaalde drempels nog een inhouding van 3,5 % worden toegepast. Wie naast zijn uitkering nog iets wil bijverdienen, leest best eerst de regels over bijverdienen zonder zelfstandige te worden.
Arbeidsongeschiktheid als zelfstandige: andere regels, ander loket
Bent u zelfstandige, dan valt u onder een apart stelsel met eigen bedragen en eigen termijnen. Uw uitkering wordt ook hier door uw ziekenfonds betaald, maar uw sociale bijdragen lopen via uw sociaalverzekeringsfonds. Dat onderscheid is belangrijk: het ziekenfonds regelt de uitkering, het sociaalverzekeringsfonds regelt uw bijdragen en een eventuele vrijstelling ervan.
Als zelfstandige hangt uw uitkering niet af van uw laatste beroepsinkomen, maar is een forfaitair dagbedrag volgens uw gezinssituatie. Sinds 1 maart 2026 bedraagt het tijdens de primaire ongeschiktheid 81,10 € met gezinslast, 64,27 € voor alleenstaanden en 49,29 € voor samenwonenden. Wie daarnaast als freelancer of in bijberoep werkt, meldt dat altijd vooraf aan de adviserend arts.
- Uw ongeschiktheid moet meer dan zeven dagen duren. Wordt uw ongeschiktheid voor minder dan acht dagen erkend, dan krijgt u helemaal geen uitkering.
- Duurt ze wel langer, dan wordt u vanaf de eerste dag vergoed. Die regel geldt sinds 1 juli 2019.
- U moet een wachttijd van zes maanden doorlopen hebben, met twee kwartalen betaalde bijdragen.
- Blijft u in invaliditeit en stopt u uw zaak, dan stijgt het bedrag voor samenwonenden tot 55,10 € per dag.
Na twaalf maanden: van primaire arbeidsongeschiktheid naar invaliditeit
De uitkeringsverzekering kent twee opeenvolgende periodes. De eerste twaalf maanden heten de primaire arbeidsongeschiktheid: uw ziekenfonds betaalt en de adviserend arts volgt uw dossier op. Blijft u daarna arbeidsongeschikt, dan gaat u automatisch over naar de invaliditeit. U hoeft daarvoor zelf geen nieuwe aanvraag in te dienen.
Vanaf dan wordt uw uitkering berekend als een percentage van uw begrensde brutoloon volgens uw gezinssituatie: 65 % met gezinslast, 55 % als alleenstaande en 40 % als samenwonende. Uw dossier wordt bovendien beoordeeld door de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het RIZIV, die op voorstel van de adviserend arts beslist over de verlenging. Alles over de voorwaarden en de aanvraag leest u in ons artikel over de invaliditeitsuitkering.
Controle en verplichtingen tijdens uw ziekteperiode
Arbeidsongeschiktheid geeft u rechten, maar legt u ook verplichtingen op. U gaat in op elke oproeping van de adviserend arts, u meldt elke wijziging in uw gezinssituatie of uw beroepsactiviteit, en u oefent geen activiteit uit zonder toestemming. Wie die regels naast zich neerlegt, riskeert dat de uitkering wordt geschorst of teruggevorderd.
Daarnaast kan uw werkgever een controlearts sturen. Die arts gaat enkel na of u werkelijk arbeidsongeschikt bent; hij stelt geen diagnose en wijzigt uw behandeling niet. Bent u het oneens met zijn besluit, dan kunt u binnen twee werkdagen een arts-scheidsrechter laten aanstellen. Zijn beslissing is bindend voor beide partijen. Weigert u de controle zonder geldige reden, dan kunt u het gewaarborgd loon voor de betrokken dagen verliezen.
Over de vraag of u thuis moet blijven, bestaat veel verwarring. Er is geen algemene wettelijke verplichting om de hele dag thuis te blijven. Uw werkgever kan wel een periode vastleggen waarin u thuis beschikbaar moet zijn voor de controlearts, via een collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement. Het gaat om maximaal vier aaneengesloten uren tussen 7 en 20 uur. Staat dat nergens vastgelegd, dan geldt die verplichting voor u niet.
Opnieuw aan de slag: toegelaten arbeid en het terug-naar-werk-traject
Arbeidsongeschiktheid is vaak een tijdelijke toestand, en de wetgeving wil de terugkeer naar werk aanmoedigen in plaats van ze af te remmen. U kunt tijdens uw ongeschiktheid deeltijds of aangepast werk hervatten en toch een deel van uw uitkering behouden. Voorwaarde is dat u vooraf de toestemming van de adviserend arts vraagt, ten laatste de werkdag vóór u opnieuw begint.
Om die toestemming te krijgen moet u medisch nog minstens 50 % ongeschikt blijven en moet het werk aan uw gezondheidstoestand aangepast zijn. De toestemming geldt voor maximaal twee jaar en kan verlengd worden. Werkt u tot een vijfde van een voltijdse betrekking, dan wordt uw uitkering niet verminderd; werkt u meer, dan daalt ze met het percentage waarmee u dat vijfde overschrijdt. Wie tijdens die periode wordt ontslagen, leest meer over de gevolgen bij ontslag.
Daarnaast bestaat er sinds 1 september 2022 een terug-naar-werk-traject, begeleid door een terug-naar-werk-coördinator van uw ziekenfonds. Rond de tiende week krijgt u een vragenlijst die u binnen twee weken terugstuurt. In de vierde maand volgt een eerste inschatting van uw arbeidspotentieel en ten laatste in de zesde maand hebt u een eerste gesprek met de coördinator. Meer uitleg over de socioprofessionele re-integratie staat op de site van het RIZIV.
Welke andere steun kunt u krijgen tijdens een lange ziekteperiode
Een uitkering ligt bijna altijd lager dan uw gewone loon, terwijl uw medische kosten net toenemen. Daarom bestaan er naast de uitkering nog maatregelen die uw factuur drukken of uw inkomen aanvullen. Ze worden zelden automatisch toegekend, dus het loont de moeite om ze een voor een te overlopen met uw ziekenfonds of met het OCMW van uw gemeente.
Sommige maatregelen hangen af van uw gezinsinkomen, andere van de duur van uw ongeschiktheid of van een erkende handicap. Het is dus goed mogelijk dat u vandaag nergens recht op hebt, maar binnen enkele maanden wel, bijvoorbeeld zodra u in invaliditeit terechtkomt. Hieronder vindt u de belangrijkste mogelijkheden.
- De verhoogde tegemoetkoming, die uw remgeld bij arts, apotheek en ziekenhuis fors verlaagt.
- De maximumfactuur, die uw jaarlijkse medische kosten volgens uw gezinsinkomen begrenst.
- Het zorgbudget voor personen met een handicap en het zorgbudget binnen de Vlaamse sociale bescherming.
- Het leefloon van het OCMW, als aanvulling wanneer uw uitkering onder het leefloonbedrag blijft.
- Steun voor wie voor u zorgt, via de mantelzorg en de bijhorende premies.
- De inkomensvervangende tegemoetkoming, voor wie daarnaast een handicap laat erkennen.
Vergeet ten slotte uw opgebouwde rechten niet. Een periode van erkende arbeidsongeschiktheid wordt in de regel gelijkgesteld voor uw pensioen, en ze heeft ook gevolgen voor uw wettelijke vakantiedagen en voor de berekening van uw eindejaarspremie. Vraag dat na bij uw ziekenfonds en bij uw werkgever, want die regels verschillen naargelang uw sector.