
Het huwelijksquotiënt is een fiscaal voordeel voor gehuwden en wettelijk samenwonenden van wie één partner geen of een laag beroepsinkomen heeft. Een deel van het inkomen van de partner die het meest verdient, wordt dan belast bij de andere partner, tegen lagere tarieven. Voor de inkomsten van 2026 kan dat deel oplopen tot 11.780 €. Maar de federale hervorming van de personenbelasting bouwt het voordeel vanaf aanslagjaar 2027 stap voor stap af. Hieronder leest u hoe het werkt, wie er recht op heeft en wat er de komende jaren verandert.
Wat is het huwelijksquotiënt?
In België betalen gehuwden en wettelijk samenwonenden samen één gemeenschappelijke aanslag in de personenbelasting. Het belastbaar inkomen van elke partner wordt daarbij wel afzonderlijk vastgesteld. Omdat de tarieven stijgen per schijf, betaalt een gezin met één hoog inkomen en één laag of geen inkomen meer belasting dan een gezin met twee gelijke inkomens.
Het huwelijksquotiënt vangt dat gedeeltelijk op. Daarbij wordt 30 % van het beroepsinkomen van de partner die het meest verdient, toegerekend aan de andere partner. Dat deel wordt dan belast bij de partner met het laagste inkomen, in de lagere schijven. Zo daalt de totale belasting van het gezin, zonder dat er geld tussen de partners hoeft over te gaan.
Er bestaan twee situaties. In de eerste heeft slechts één partner beroepsinkomsten: dan gaat 30 % van die inkomsten naar de andere partner. In de tweede hebben beide partners beroepsinkomsten, maar verdient één partner minder dan 30 % van het totaal: dan krijgt die partner een deel toegerekend tot zijn inkomen samen 30 % van het gezinstotaal bereikt. In beide gevallen geldt een wettelijk maximum.
Wie heeft recht op het huwelijksquotiënt?
Het voordeel bestaat alleen bij een gemeenschappelijke aanslag. Dat geldt voor gehuwde koppels en voor wettelijk samenwonenden, die fiscaal op dezelfde manier behandeld worden. Feitelijk samenwonenden, die geen verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, worden elk afzonderlijk belast en kunnen het huwelijksquotiënt dus niet krijgen.
Daarnaast moet één partner geen of weinig beroepsinkomen hebben. Dat is bijvoorbeeld zo als die partner thuisblijft voor de kinderen of deeltijds werkt. Of u in aanmerking komt, hangt af van de verhouding tussen de beroepsinkomsten van beide partners. Hebt u twijfels, bijvoorbeeld bij tijdskrediet of een activiteit als zelfstandige in bijberoep, vraag het dan na bij de FOD Financiën.
Wanneer is er geen gemeenschappelijke aanslag?
Voor het jaar van het huwelijk of van de verklaring van wettelijke samenwoning worden de partners nog afzonderlijk belast. Het huwelijksquotiënt is dan pas van toepassing vanaf het volgende inkomstenjaar. Hetzelfde geldt in de omgekeerde richting: na een feitelijke scheiding krijgt elke partner vanaf het jaar na de scheiding weer een eigen aanslag, zolang de scheiding in dat belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt. Dan valt ook het huwelijksquotiënt weg.
Wie uit elkaar gaat, krijgt dus te maken met andere fiscale regels. Dan kan bijvoorbeeld de belastingvermindering voor onderhoudsuitkeringen belangrijk worden. Wie er als ouder alleen voor staat, vindt extra steun in ons artikel over de alleenstaande moeder.
Hoe wordt het huwelijksquotiënt berekend?
De berekening gaat uit van de beroepsinkomsten van beide partners. De FOD Financiën kijkt eerst of één partner geen beroepsinkomen heeft, of minder dan 30 % van het totaal. Daarna wordt het juiste deel toegerekend, maar nooit meer dan het wettelijke maximum van dat aanslagjaar.
Voor aanslagjaar 2027, dus voor de inkomsten die u in 2026 verdient en in 2027 aangeeft, bedraagt dat maximum 11.780 €. Hebben beide partners op 1 januari 2027 de leeftijd van 66 jaar bereikt, dan ligt het maximum op 12.790 €. Voor dat hogere bedrag telt alleen de leeftijd van beide partners, niet of ze al met pensioen zijn.
| Situatie (aanslagjaar 2027, inkomsten 2026) | Toegerekend deel | Maximum |
| Slechts één partner heeft beroepsinkomsten | 30 % van die inkomsten | 11.780 € |
| Eén partner verdient minder dan 30 % van het gezinstotaal | Wat nodig is om samen 30 % van het totaal te bereiken | 11.780 € |
| Beide partners zijn op 1 januari 2027 minstens 66 jaar | Zelfde berekening | 12.790 € |
Twee voorbeelden
Voorbeeld 1. Sofie heeft in 2026 een netto beroepsinkomen van 30.000 €, haar man Tom blijft thuis en heeft geen beroepsinkomen. Er gaat 30 % van 30.000 €, dus 9.000 €, naar Tom. Dat ligt onder het maximum van 11.780 €, dus het volledige bedrag wordt bij Tom belast en niet meer bij Sofie.
Voorbeeld 2. Karim verdient 45.000 €, zijn wettelijk samenwonende partner Lien 5.000 €. Samen is dat 50.000 €, en 30 % daarvan is 15.000 €. Lien heeft zelf 5.000 €, dus er moet 10.000 € bij om aan 15.000 € te komen. Ook dat ligt onder het maximum, dus er wordt 10.000 € van het inkomen van Karim bij Lien belast.
De afbouw van het huwelijksquotiënt vanaf 2027
De federale hervorming van de personenbelasting is in de zomer van 2026 als wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Een van de maatregelen is een geleidelijke verlaging van het huwelijksquotiënt. Tegelijk verhoogt dezelfde hervorming de belastingvrije som.
De wet legt de verlaging vast in basisbedragen, dat zijn de bedragen vóór de jaarlijkse indexering. Het bedrag dat voor uw aanslagbiljet geldt, ligt dus hoger: voor aanslagjaar 2027 wordt het basisbedrag van 5.860 € na indexering 11.780 €, en dat van 6.365 € wordt 12.790 €. De tabel toont hoe de basisbedragen dalen.
| Aanslagjaar (inkomstenjaar) | Basisbedrag: algemeen | Basisbedrag: beide partners 66 jaar of ouder |
| 2027 (inkomsten 2026) | 5.860 € | 6.365 € |
| 2028 (inkomsten 2027) | 5.030 € | 6.030 € |
| 2029 (inkomsten 2028) | 4.190 € | 5.695 € |
| 2030 (inkomsten 2029) | 3.350 € | 5.360 € |
Wat gebeurt er na 2030?
In de algemene regeling, dus voor koppels die niet onder het hogere bedrag voor oudere koppels vallen, blijft het basisbedrag vanaf aanslagjaar 2030 op 3.350 € staan. Het huwelijksquotiënt verdwijnt voor die koppels dus niet helemaal: het wordt kleiner en wordt verder geïndexeerd. Let op: vanaf aanslagjaar 2046 geldt het alleen nog als geen van beide partners 67 jaar is.
Voor oudere koppels loopt de afbouw langer. Vanaf aanslagjaar 2031 geldt het hogere bedrag pas als beide partners 67 jaar zijn, en het basisbedrag daalt dan elk jaar met 335 € tot 335 € in aanslagjaar 2045. Vanaf aanslagjaar 2046 krijgt een koppel waarvan één partner 67 jaar of ouder is, geen huwelijksquotiënt meer. Gaat u binnenkort met pensioen, houd daar dan best rekening mee bij uw pensioenaanvraag.
Wat betekent dit concreet voor uw gezin?
Krijgt u vandaag het huwelijksquotiënt, dan verandert er voor uw aangifte van 2027 al iets: het basisbedrag van het maximum wordt verlaagd tot 5.860 €. Bij een laag of gemiddeld inkomen merkt u dat vaak niet, omdat 30 % van uw inkomen onder het maximum blijft. In het eerste voorbeeld hierboven wordt de volledige 9.000 € bijvoorbeeld nog altijd bij Tom belast.
Het verlies is het grootst bij hoge inkomens met een partner zonder inkomen. Daar zat het toegerekende deel al aan het maximum, en elke verlaging van dat maximum betekent dat een groter deel bij de hoogste verdiener blijft, tegen een hoger tarief. Gaat de thuisblijvende partner opnieuw werken, dan valt het voordeel vanzelf weg of wordt het kleiner, omdat diens eigen inkomen dan meetelt.
Andere fiscale voordelen voor uw gezin
Het huwelijksquotiënt is niet het enige voordeel op uw aangifte. Kijk ook na of u recht hebt op de belastingvermindering voor kinderopvang, voor pensioensparen of voor giften aan erkende instellingen. Hebt u een woning gekocht, dan kan ook de woonbonus nog meetellen.
Hebt u kinderen ten laste, dan krijgt u een verhoogde belastingvrije som. Ook buiten de belastingen telt het inkomen van uw gezin: bij kinderopvang met inkomenstarief hangt wat u betaalt af van het inkomen van uw gezin.
Moet u zelf iets doen voor het huwelijksquotiënt?
Nee. U vult als koppel samen één gezamenlijke aangifte in, en de FOD Financiën past het huwelijksquotiënt automatisch toe bij de berekening van de gemeenschappelijke aanslag. Er bestaat geen aparte aanvraag voor.
Wel is het belangrijk dat uw gezinssituatie juist in de aangifte staat. Bent u in de loop van het jaar getrouwd of hebt u een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd, dan worden u en uw partner voor dat jaar nog afzonderlijk belast. Een gezamenlijke aangifte volgt pas vanaf het jaar daarna. Bij twijfel over uw situatie kunt u terecht bij de FOD Financiën.