Pensioen berekenen in 2026: zo berekent de Pensioendienst uw wettelijk pensioen

29 September 2026 door Isabelle - 11 minuten leestijd

Ontdek op welke steun u naast uw pensioen recht hebt
Bereken mijn steun

Pensioen berekenen: gepensioneerd koppel bespreekt hun pensioenbedrag in de woonkamer
Wilt u uw pensioen berekenen? Voor een werknemer telt de Federale Pensioendienst per loopbaanjaar uw brutoloon, beperkt tot een loonplafond en aangepast aan de levensduurte, deelt het door 45 en neemt daarvan 60 % (of 75 % als u recht hebt op het gezinsbedrag). De optelsom van al die jaren is uw bruto jaarpensioen. Hieronder leest u stap voor stap hoe die berekening werkt, met een rekenvoorbeeld, de correcties die een laag pensioen optrekken en wat de malus en de bonus vanaf 2027 voor uw bedrag betekenen. Meer over de andere steun voor senioren vindt u in ons overzicht.

Hoe berekent de Pensioendienst uw pensioen als werknemer?

Voor elk jaar dat u als werknemer werkt, bouwt u een stukje pensioen op. De Federale Pensioendienst (FPD) gaat daarvoor uit van het loon waarop sociale bijdragen werden betaald: uw werkgever houdt die bijdragen in via de RSZ, en zonder die bijdragen bouwt u in de regel geen pensioenrechten op. In bepaalde gevallen kunt u zulke periodes wel regulariseren. Meer over hoe dat systeem in elkaar zit, leest u in onze uitleg over de sociale zekerheid.

Werkte u een tijd niet, bijvoorbeeld door werkloosheid of ziekte, en kreeg u toen een vervangingsinkomen? Dan telt die periode meestal toch mee als gelijkgestelde periode, op basis van een fictief loon. Per kalenderjaar doorloopt de Pensioendienst daarna vijf vaste stappen:

  1. Stap 1: de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen van dat jaar worden samengeteld.
  2. Stap 2: ligt dat totaal hoger dan het loonplafond, dan telt enkel het plafond mee.
  3. Stap 3: het loon wordt geherwaardeerd, zodat het aangepast is aan de levensduurte van vandaag.
  4. Stap 4: het resultaat wordt gedeeld door 45, de normale loopbaanduur van een werknemer.
  5. Stap 5: dat bedrag wordt vermenigvuldigd met 60 %.

De bedragen van alle loopbaanjaren samen vormen uw bruto jaarpensioen. U hoeft die berekening niet zelf te maken: op mypension.be doet de Pensioendienst dat voor u, op basis van de loopbaangegevens die hij van u heeft.

Goed om te weten: u bouwt al pensioen op als werknemer vanaf één gewerkte dag. Ook een korte loopbaan of een flexi-job vóór uw pensioen levert dus een (klein) werknemerspensioen op.

Welk loon telt mee en hoe hoog is het loonplafond?

Hoe hoger uw loon, hoe hoger uw pensioen, maar er is een bovengrens. Voor een pensioen als werknemer begrenst de Pensioendienst het jaarloon op 82.608,94 €: dat is het plafond voor 2025, en voor 2026 geldt het voorlopig als schatting tot de definitieve cijfers bekend zijn. Verdiende u in een jaar meer, dan levert het bedrag boven het plafond geen hoger pensioen op. Voor elk eerder jaar geldt het plafond van dat jaar: zo lag het voor 2010 op 47.960,29 €.

Omdat een loon van twintig jaar geleden vandaag minder waard is, past de Pensioendienst elk jaarloon aan met een herwaarderingscoëfficiënt. Voor 2010 is dat bijvoorbeeld 1,427825 voor een pensioen dat ten vroegste op 1 maart 2026 ingaat. De Pensioendienst publiceert die coëfficiënten per index. Voor bepaalde periodes waarin u niet werkte (gelijkgestelde periodes) rekent de Pensioendienst met een fictief loon. Dat geldt onder meer voor onvrijwillige werkloosheid met een werkloosheidsuitkering, voor arbeidsongeschiktheid of een invaliditeitsuitkering en voor het moederschapsverlof. Vrijwillige werkloosheid is niet gelijkgesteld.

Ook tijdskrediet en loopbaanonderbreking kunnen meetellen, maar daarvoor gelden eigen voorwaarden. Twijfelt u of een periode uit uw loopbaan is opgenomen, dan kijkt u uw loopbaanoverzicht best na op mypension.be. Wie minder werkte via tijdskrediet of loopbaanonderbreking, vindt daar per jaar welke dagen de Pensioendienst meetelt.

60 of 75 %: bedrag als alleenstaande of gezinsbedrag

Standaard berekent de Pensioendienst uw pensioen aan het bedrag als alleenstaande: dan telt 60 % van uw loon mee. Onder bepaalde voorwaarden wordt het opgetrokken tot het gezinsbedrag, en dan telt 75 % mee. In de praktijk vermenigvuldigt de Pensioendienst uw pensioen als alleenstaande dan met 1,25.

Het gezinsbedrag is er enkel voor gehuwden. Wie wettelijk samenwoont, heeft er geen recht op: twee samenwonende gepensioneerden krijgen elk een pensioen als alleenstaande. Bent u gehuwd, dan krijgt u het gezinsbedrag als uw huwelijkspartner:

  • elke niet-toegelaten beroepsactiviteit heeft stopgezet;
  • geen rust- of overlevingspensioen of gelijkwaardige uitkering ontvangt, of enkel een klein pensioen (zie hieronder);
  • geen vervangingsinkomen ontvangt, zoals een werkloosheids-, ziekte- of invaliditeitsuitkering;
  • geen premie voor tijdskrediet, loopbaanonderbreking of verminderde prestaties krijgt.

Ontvangt uw partner een pensioen dat niet hoger is dan het verschil tussen uw gezinsbedrag en uw bedrag als alleenstaande, dan krijgt u toch het gezinsbedrag, maar wordt het pensioen van uw partner ervan afgetrokken. Hebben u en uw partner elk recht op een pensioen als werknemer of zelfstandige? Dan kiest de Pensioendienst zelf de voordeligste oplossing: één pensioen aan het gezinsbedrag, of twee pensioenen als alleenstaande. Scheidt u, dan wordt een gezinspensioen automatisch teruggebracht naar het bedrag als alleenstaande. Wat een scheiding verder betekent, hangt af van uw situatie.

Rekenvoorbeeld: zo komt de Pensioendienst tot een bedrag

De Pensioendienst geeft zelf een typevoorbeeld. Benoît is geboren in 1960, werkt sinds zijn 21e en gaat op 1 maart 2026 met pensioen, na een loopbaan van 43 jaar. Om het eenvoudig te houden, gaat de Pensioendienst ervan uit dat Benoît voor elk loopbaanjaar hetzelfde geherwaardeerde loon had. Voor 2010 is dat 10.000 € werkelijk loon en 10.000 € fictief loon, samen 20.000 €. De bedragen in dit voorbeeld horen bij de index van 1 maart 2026; de minimumbedragen verderop gelden vanaf 1 september 2026.

Voor het jaar 2010 ziet de berekening er zo uit. Dezelfde stappen worden voor elk loopbaanjaar herhaald, en voor het onvolledige jaar 2026 (3 maanden) telt slechts een evenredig deel mee.

Stap Berekening voor 2010 Resultaat
Loon onder het plafond? 20.000 € is lager dan 47.960,29 € 20.000 €
Herwaardering 20.000 € x 1,427825 28.556,50 €
Delen door 45 28.556,50 € / 45 634,58 €
Maal 60 % 634,58 € x 60 % 380,75 €

Voor 42 volledige jaren komt Benoît zo aan 15.991,50 €, plus 95,19 € voor de drie maanden van 2026: samen 16.086,69 € bruto per jaar. Toch is dat niet het bedrag dat hij uiteindelijk krijgt, want de Pensioendienst kijkt daarna of een correctie gunstiger uitvalt.

Omdat zijn geherwaardeerde loon lager ligt dan het gewaarborgd minimumjaarloon, telt voor elk jaar dat minimum mee. Daarmee stijgt zijn pensioen tot 18.825,75 €. Zijn echtgenote heeft geen eigen inkomen, dus krijgt hij het gezinsbedrag: 18.825,75 € x 1,25 = 23.532,19 €. Ten slotte blijkt het minimumpensioen voor zijn loopbaan nog hoger: 26.435,65 € bruto per jaar. Dat bedrag kent de Pensioendienst hem toe.

Laag pensioen? Ontdek op welke steun u nog recht hebt
Controleer uw rechten

Welke correcties trekken een laag pensioen op?

Het voorbeeld van Benoît toont het al: de formule is slechts het vertrekpunt. Wie lang heeft gewerkt voor een bescheiden loon, kan op twee manieren meer krijgen dan de pure optelsom. Beide berekent de Pensioendienst automatisch; u hoeft er niets voor aan te vragen.

De eerste correctie is het minimumjaarrecht (ook minimumrecht per loopbaanjaar genoemd). Het geldt als uw loopbaan minstens 15 jaren als werknemer telt met elk minstens 104 voltijdse dagen. Voor die jaren rekent de Pensioendienst ook met een minimumjaarloon van 34.088,95 € (vanaf 1 september 2026) en houdt hij per jaar de voordeligste uitkomst. Het resultaat is wel begrensd: voor een volledige loopbaan tot 23.826,18 € per jaar als alleenstaande en 29.782,73 € aan het gezinsbedrag, evenredig minder bij een kortere loopbaan.

De tweede correctie is het gewaarborgd minimumpensioen. Voor een voltijds minimumpensioen hebt u een loopbaan van minstens 30 jaar met elk minstens 208 dagen nodig, plus, in de regel, 5.000 effectief gewerkte dagen over uw hele loopbaan. Een overgangsregeling met minder dagen geldt voor wie geboren is in 1969, en voor wie geboren is van 1963 tot en met 1968 en op 1 januari 2025 nog geen 30 loopbaanjaren als werknemer telde. Wie met pensioen gaat wegens lichamelijke ongeschiktheid, hoeft niet aan de voorwaarde van effectieve tewerkstelling te voldoen. Voor een volledige loopbaan bedraagt het vanaf 1 september 2026:

Gewaarborgd minimumpensioen werknemer Bruto per maand Bruto per jaar
Rustpensioen aan het gezinsbedrag 2.351,65 € 28.219,84 €
Rustpensioen als alleenstaande 1.881,92 € 22.582,98 €

Bij een onvolledige loopbaan krijgt u een evenredig deel van dat minimum. Blijft uw inkomen daarna nog te laag, dan bestaat er vanaf 66 jaar een sociaal vangnet: de inkomensgarantie voor ouderen (IGO). Met een laag pensioen hebt u misschien ook recht op de verhoogde tegemoetkoming bij uw ziekenfonds.

Lange loopbaan: telt alles mee na 45 jaar?

Vroeger telden er hoogstens 45 loopbaanjaren mee. Vandaag mag u langer werken als uw werkgever akkoord gaat, en effectief gewerkte dagen die na de eerste 14.040 dagen vallen, tellen altijd mee. Een volledige loopbaan komt overeen met 14.040 dagen, of 45 jaar van 312 dagen.

Telt uw loopbaan meer dan 14.040 dagen, dan gebruikt de Pensioendienst de 14.040 dagen die het meeste pensioen opbrengen. Dagen van werkloosheid, brugpensioen of SWT (werkloosheid met bedrijfstoeslag) die na die eerste 14.040 dagen vallen, tellen dan niet meer mee, ook als ze voordeliger zouden zijn. Er mogen wel nooit meer dan 1.560 dagen geschrapt worden.

Wie op het einde van de loopbaan minder wil werken, doet er goed aan eerst na te gaan wat dat voor het pensioen betekent. Onze uitleg over de landingsbaan zet de gevolgen op een rij.

Vroeger of later met pensioen: malus en bonus vanaf 2027

Het moment waarop u met pensioen gaat, heeft vanaf 2027 een rechtstreekse invloed op uw bedrag. Wie vervroegd met pensioen gaat en niet aan twee loopbaanvoorwaarden voldoet, krijgt een malus: een definitieve vermindering van het brutopensioen. Om de malus te vermijden hebt u 35 loopbaanjaren met elk minstens 156 dagen nodig, en 7.020 dagen over uw hele loopbaan die voor de malus meetellen.

Per jaar dat u vóór uw wettelijke pensioenleeftijd stopt, bedraagt de malus 2 % als u geboren bent van 1961 tot en met 1965, 4 % als u geboren bent van 1966 tot en met 1974 en 5 % als u geboren bent in 1975 of later. Wie geboren is in 1960 of vroeger, krijgt geen malus. De vermindering wordt per maand berekend en blijft ook na de wettelijke pensioenleeftijd gelden. Gaat u op de wettelijke leeftijd met pensioen, of kunt u al vóór 1 februari 2027 met pensioen, dan krijgt u geen malus. Bent u zelfstandige, dan verwijst de Pensioendienst voor de voorwaarden van de malus naar het RSVZ.

Omgekeerd krijgt u een pensioenbonus als u uw pensioen na de wettelijke leeftijd uitstelt. Die bonus geldt voor pensioenen die ingaan vanaf 2027, en u kunt hem al opbouwen vanaf 1 januari 2026. Daarvoor hebt u 35 jaar met minstens 156 gewerkte dagen nodig en 7.020 gewerkte dagen in totaal, en u mag nog geen Belgisch pensioen ontvangen. Per jaar uitstel stijgt uw brutopensioen met 2 % als u geboren bent in 1962 of vroeger, 4 % als u geboren bent van 1963 tot en met 1972 en 5 % als u geboren bent in 1973 of later, per maand uitstel evenredig. Zolang u een overlevingspensioen ontvangt, bouwt u geen bonus op. Dit is een andere regeling dan de vroegere pensioenbonus, die niet meer wordt opgebouwd; wie er al rechten mee had opgebouwd, behoudt die.

Aandacht
De dagen die meetellen voor de malus en de bonus zijn niet dezelfde als voor het vervroegd pensioen. Op mypension.be ziet u onder ‘Mijn pensioen plannen’ een teller die toont of u vandaag al aan de voorwaarden voldoet.

Van bruto naar netto: welke inhoudingen gebeuren er?

De formule geeft een brutobedrag. Daarop houdt de Pensioendienst sociale en fiscale inhoudingen in, die afhangen van uw pensioenbedrag en uw gezinssituatie. Wat overblijft, is het nettobedrag dat u op uw rekening krijgt, op de vaste uitbetalingsdata.

De ZIV-bijdrage bedraagt 3,55 % van het brutobedrag, maar pas boven een drempel: vanaf 1 september 2026 wordt de volledige 3,55 % ingehouden boven 2.198,09 € bruto per maand voor een alleenstaande en boven 2.605,04 € met gezinslast. Daarbovenop komt een solidariteitsbijdrage van 0 tot 2 % voor de hogere pensioenen, en de bedrijfsvoorheffing: een voorschot op uw belastingen dat naar de FOD Financiën gaat.

Uw pensioen volgt daarna de prijzen. Wordt de spilindex overschreden, dan stijgen de pensioenen met 2 %, in de derde maand na de overschrijding. Voor twee indexeringen geldt wel een beperking: de 2 % wordt dan berekend op maximaal 2.000 €, dus hoogstens 40 € bruto per maand extra. Hoe de spilindex werkt, leest u in onze uitleg over de loonindexering.

Ambtenaar of zelfstandige: andere rekenregels

Voor een vastbenoemd ambtenaar werkt de berekening anders. De basis is de referentiewedde: vandaag de gemiddelde wedde van uw laatste 10 loopbaanjaren (of van uw laatste 5 jaren als u geboren bent vóór 1 januari 1962). Voor rustpensioenen die ingaan in 2027 of later wordt dat aantal jaren geleidelijk opgetrokken. Kunt u uiterlijk op 1 januari 2027 met vervroegd pensioen, dan blijft uw huidige referentieperiode gelden, ook als u uw pensioen uitstelt. Per dienstjaar krijgt u daar meestal 1/60 van. Een ambtenarenpensioen kan niet worden opgetrokken tot een gezinsbedrag.

Voor een zelfstandige gaat de berekening uit van het beroepsinkomen waarop sociale bijdragen werden betaald, en ook dat inkomen is begrensd. Voor een pensioen als zelfstandige volstaat al één trimester. Werkte u onder meer dan één statuut, bijvoorbeeld eerst als werknemer en daarna als zelfstandige, dan hebt u een gemengde loopbaan en krijgt u voor elk statuut een apart pensioen.

Hoe berekent u zelf uw pensioen op mypension.be?

De snelste manier om uw eigen bedrag te kennen, is een simulatie op mypension.be. Als werknemer, ambtenaar of zelfstandige kunt u daar uw pensioenbedrag berekenen. U hebt daarvoor uw identiteitskaart en een e-ID-kaartlezer nodig. U ziet er ook uw loopbaanoverzicht, zodat u ontbrekende periodes op tijd kunt laten rechtzetten.

Hebt u geen e-ID of token, of vindt u geen antwoord op mypension.be, bijvoorbeeld omdat uw loopbaan de laatste drie jaar veranderde? Dan kunt u vanaf het jaar waarin u 57 jaar wordt een raming op maat aanvragen bij de Pensioendienst. Reken wel op een wachttijd bij een ingewikkeld dossier.

Isabelle is redacteur bij Mijntoeslagen.be en schrijft over hulpverlening en administratie in Vlaanderen. Voel je vrij om contact met haar op te nemen in het commentaargedeelte als je vragen hebt.


Stel een vraag aan onze deskundige

Ons algoritme berekent voor welke steun u in aanmerking komt

Simuleer gratis mijn hulpmiddelen