
Het minimumloon in België bedraagt sinds 1 juli 2026 2.233,61 € bruto per maand voor een voltijdse werknemer van 18 jaar of ouder. Officieel heet het het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI), en het is de ondergrens voor de hele privésector. Hieronder vindt u wat dat voor u als werknemer betekent: het bedrag bruto en per uur, wat er netto van overblijft, welke regels gelden voor jongeren, studenten en deeltijdse werknemers, en wat u doet als uw loon te laag ligt.
Hoeveel bedraagt het minimumloon in België in 2026?
Sinds 1 juli 2026 is het minimumloon 2.233,61 € bruto per maand voor een voltijdse job. Dat bedrag geldt voor alle werknemers van 18 jaar en ouder met een arbeidsovereenkomst (met uitzondering van 18- tot 20-jarigen met een studentenovereenkomst), ongeacht hun anciënniteit. Sinds 1 april 2022 bestaat er immers één uniek bedrag: de oude leeftijds- en anciënniteitsvoorwaarden zijn toen weggevallen.
Het bedrag is dit jaar drie keer gestegen: een indexering op 1 januari 2026, een reële verhoging van 35 € bruto op 1 april 2026 (de laatste stap van het sociaal akkoord van 2021) en een nieuwe indexering op 1 juli 2026, nadat de spilindex eind juni was overschreden. In de tabel ziet u een overzicht van de belangrijkste stappen sinds 2022, volgens de cijfers van de Nationale Arbeidsraad (de volledige lijst, met alle indexeringen, staat in de tabel met cao-bedragen van de Nationale Arbeidsraad).
| Vanaf | Reden | Minimumloon (bruto per maand) |
| 1 april 2022 | Sociaal akkoord 2021, eerste stap | 1.806,16 € |
| 1 december 2022 | Indexering | 1.954,99 € |
| 1 april 2024 | Sociaal akkoord 2021, tweede stap | 2.029,88 € |
| 1 mei 2024 | Indexering | 2.070,48 € |
| 1 februari 2025 | Indexering | 2.111,89 € |
| 1 januari 2026 | Indexering | 2.154,11 € |
| 1 april 2026 | Sociaal akkoord 2021, derde stap | 2.189,81 € |
| 1 juli 2026 | Indexering | 2.233,61 € |
Wat is het minimumloon per uur?
Het minimumloon is in België een maandbedrag: er bestaat geen apart wettelijk uurloon. Wilt u toch weten wat het per uur betekent, dan rekent u het maandbedrag om naar een uurloon volgens het aantal uren dat u per week werkt. Hoe meer uren een voltijdse week in uw sector telt, hoe lager het uurloon dat daaruit volgt.
Voorbeeld: bij een voltijdse week van 38 uur komt het minimumloon neer op ongeveer 13,56 € bruto per uur (2.233,61 € x 12 maanden / 52 weken / 38 uur). Dat is een rekenvoorbeeld, geen officieel bedrag: in veel sectoren ligt het baremieke uurloon hoger, en werkt u een kortere voltijdse week, dan stijgt het uurloon dat met het minimum overeenkomt.
Bruto of netto: hoeveel houdt u over van het minimumloon?
De 2.233,61 € is een brutobedrag. Van uw brutoloon gaan eerst de persoonlijke bijdragen voor de sociale zekerheid af: voor werknemers in de privésector is dat 13,07 % van het brutoloon. Daarna houdt uw werkgever elke maand bedrijfsvoorheffing in, een voorschot op uw belastingen dat afhangt van uw gezinssituatie en uw inkomen. Hoeveel er precies op uw rekening komt, verschilt dus van persoon tot persoon.
Hebt u een laag loon, kijk dan na wat de werkbonus voor uw nettoloon betekent. Hoe de belasting op uw loon verder wordt berekend, leest u in onze uitleg over de belastingvrije som en de belastingschijven.
Bij de verhogingen van 2024 en 2026 wordt via de fiscale hervorming het nettoresultaat van elke stap van 35 € bruto opgetrokken tot 50 € per maand. Woonde u op 1 januari in het Vlaamse Gewest, dan krijgt u mogelijk ook een jobbonus: een premie van de Vlaamse overheid voor werknemers met een laag loon. De Vlaamse overheid berekent die automatisch op basis van gegevens van de RSZ, u hoeft niets aan te vragen.
Wettelijk minimumloon of sectorminimum: wat geldt voor u?
In België wordt het minimumloon niet door een wet vastgelegd, maar door de sociale partners: vakbonden en werkgevers. Het algemene minimum staat in een collectieve arbeidsovereenkomst van de Nationale Arbeidsraad, en die geldt voor de hele privésector. Daarnaast spreekt elke sector in zijn paritair comité eigen loonbarema’s af, vaak per functie en volgens anciënniteit.
Voor u geldt in de regel het hoogste minimum. Voor werknemers van 18 jaar of ouder mag een sector geen minimum afspreken dat lager ligt dan het algemene minimumloon (behalve het tijdelijke indexeringsverschil hieronder), en uw individuele arbeidsovereenkomst mag niet onder het minimum van uw sector zakken. Een hoger loon afspreken mag wel. Welke barema’s voor uw functie gelden, vindt u in de databank met minimumlonen van de FOD Werkgelegenheid, per paritair comité.
Op die regel bestaat een tijdelijke uitzondering. Een sector mag zijn eigen indexeringssysteem kiezen. Daardoor kan het sectorale minimum tijdelijk lager liggen dan het al geïndexeerde algemene minimumloon, tot de sector zelf indexeert. Het basisbedrag van het algemene minimumloon blijft wel de ondergrens waarop de sector moet indexeren.
Wat telt mee om te weten of u het minimumloon krijgt?
Het minimumloon is een gemiddeld maandinkomen, en dat is niet hetzelfde als uw maandloon. Om na te gaan of uw werkgever het minimum respecteert, tellen ook bepaalde bedragen die u in de loop van het jaar krijgt mee, zoals een eindejaarspremie of een dertiende maand. Het gemiddelde wordt per kalenderjaar berekend.
Zo’n premie telt alleen mee als u er echt recht op hebt en ze binnen 12 maanden wordt uitbetaald. Bij de betaling van de premie maakt uw werkgever een afrekening: ligt het totaal van uw loon voor normale arbeidsprestaties over die periode toch onder het minimumloon, dan moet hij het verschil bijbetalen. Stopt uw contract voordat de premie is uitbetaald, dan gebeurt die afrekening op het moment dat het contract eindigt.
Minimumloon voor jongeren, jobstudenten en deeltijdse werknemers
Voor jongeren onder 18 jaar met een arbeidsovereenkomst en voor studenten jonger dan 21 jaar met een studentenovereenkomst geldt een aparte regeling, met een lager minimum. Die regeling geldt alleen als uw sector zelf geen lonen voor werknemers onder de 21 jaar heeft vastgelegd. Bepaalt het barema van uw sector geen leeftijd, dan geldt het gewone barema ook voor u.
Werkt u als jobstudent, vraag dan na welk barema uw sector voor studenten toepast. Vanaf 21 jaar geldt het gewone minimumloon, ook met een studentenovereenkomst. Wie 18, 19 of 20 jaar is en met een gewone arbeidsovereenkomst werkt (dus geen studentencontract), heeft recht op het volledige minimumloon.
Werkt u deeltijds, dan hebt u recht op een minimumloon naar verhouding van uw arbeidsduur: werkt u halftijds, dan is uw minimum de helft van het voltijdse bedrag van uw sector, of van het algemene minimumloon als uw sector niets regelt. Meer over uw andere rechten leest u in onze gids over deeltijds werken.
Voor wie geldt het minimumloon niet?
Het algemene minimumloon geldt voor werknemers in de privésector met een arbeidsovereenkomst. Werkt u in de privésector met een gewoon contract, dan valt u er in de regel onder, ook als uw sector geen eigen barema heeft.
Een paar groepen vallen er wel buiten: wie niet met een arbeidsovereenkomst werkt, en wie in een arbeidsrelatie zit die te kort of te familiaal is om onder de regeling te vallen. Het gaat om deze gevallen:
- Jongeren in alternerend leren met een andere overeenkomst dan een arbeidsovereenkomst.
- Wie werkt in een familieonderneming waar gewoonlijk alleen familieleden of pleegkinderen werken, onder het uitsluitende gezag van de vader, de moeder of de voogd.
- Werknemers die gewoonlijk telkens minder dan een kalendermaand werken. Studenten als groep werken gewoonlijk langer dan een maand en vallen er dus wel onder.
Voor een flexi-job, startersbanen en verenigingswerk legt de wet zelf het loon vast, los van de afspraken van de sociale partners. Het minimumloon geldt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst. Als zelfstandige hebt u geen arbeidsovereenkomst, dus is er geen minimumloon voor uw inkomen.
Hoe stijgt het minimumloon?
Het minimumloon stijgt op twee manieren. De eerste is de indexering: telkens als de spilindex wordt overschreden, wordt het bedrag aangepast aan de gestegen prijzen, zoals op 1 juli 2026. Lees meer over dat mechanisme in onze uitleg over de loonindexering.
De tweede manier is een reële verhoging, bovenop de index. Die komt er alleen als de sociale partners ze afspreken. Het akkoord van 2021 voorzag drie stappen: op 1 april 2022 een verhoging van 76,28 € bruto, en op 1 april 2024 en 1 april 2026 telkens 35 € bruto. Met de stap van april 2026 is dat akkoord volledig uitgevoerd. Elke nieuwe reële verhoging wordt het nieuwe basisbedrag waarop de volgende indexeringen worden berekend.
Wat doet u als u minder dan het minimumloon krijgt?
Kijk eerst na onder welk paritair comité u valt en welk barema voor uw functie geldt: daar staat uw echte minimum, dat hoger kan liggen dan het algemene minimumloon. Vergelijk dat met uw loonfiches over het hele jaar, inclusief uw eindejaarspremie, want het minimumloon is een jaargemiddelde. Werkt u deeltijds, reken dan het minimum om naar uw arbeidsduur.
Blijft uw loon te laag, spreek dan eerst uw werkgever of de personeelsdienst aan. Lost dat niets op, dan kunt u terecht bij de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de FOD Werkgelegenheid, voor informatie over uw loon, ook als het niet wordt uitbetaald. De bedragen kunt u nakijken in de tabel met cao-bedragen van de Nationale Arbeidsraad. Komt het tot een ontslag, lees dan ook onze uitleg over de opzegtermijn.
Welke steun bestaat er voor wie weinig verdient?
Een loon rond het minimum is voor een gezin vaak krap. Daarom bestaan er naast de werkbonus en de jobbonus nog andere tegemoetkomingen, vaak afhankelijk van uw gezinsinkomen. Sommige worden automatisch toegekend, andere moet u zelf aanvragen. Het loont dus om ze na te kijken.
In Vlaanderen onderzoekt het Groeipakket elk jaar automatisch of u recht hebt op de sociale toeslag, die afhangt van uw gezinsinkomen en het aantal kinderen en bovenop het basisbedrag komt. Met een laag gezinsinkomen hebt u mogelijk recht op de verhoogde tegemoetkoming van uw ziekenfonds: raadplegingen, geneesmiddelen en ziekenhuisopnames worden dan goedkoper. Soms kent het ziekenfonds ze automatisch toe, soms moet u ze zelf aanvragen.
Het sociaal tarief voor gas en elektriciteit is geen steun voor iedereen met een laag loon: u hebt er alleen recht op als u tot een bepaalde groep behoort, bijvoorbeeld als u een leefloon, een uitkering voor personen met een handicap of bepaalde pensioenuitkeringen krijgt, of als sociale huurder in een appartementsgebouw (dan enkel voor aardgas). Wordt er beslag gelegd op uw loon, lees dan ook onze uitleg over loonbeslag.