
Bent u samenwonende, dan krijgt u bij de meeste uitkeringen het laagste bedrag. Het OCMW, de RVA en uw ziekenfonds gebruiken elk een eigen indeling in gezinscategorieën, en die bepaalt mee hoeveel u ontvangt bij werkloosheid, als leefloon of bij ziekte. Wonen onder hetzelfde dak is daarbij niet genoeg: wat telt, is of u de belangrijkste huishoudelijke kosten samen draagt. Hieronder vindt u wat als samenwonen telt, welke bedragen in 2026 gelden en welke wijzigingen u moet melden.
Wat betekent samenwonende in de sociale zekerheid?
In de sociale zekerheid is samenwonende geen burgerlijke staat, maar een gezinscategorie. U kunt dus samenwonende zijn zonder getrouwd te zijn en zonder verklaring van wettelijk samenwonen. Voor de RVA en het OCMW betekent samenwonen dat twee of meer personen onder hetzelfde dak wonen en de belangrijkste huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gemeenschappelijk regelen.
De aard van de relatie speelt daarbij geen rol. Een vriend, een huisgenoot of een familielid kan net zo goed meetellen als een partner, als u samen de kosten van het huishouden deelt en daar een financieel voordeel uit haalt. Het gaat om de feitelijke situatie, niet om wat er op papier staat. Krijgt u een vervangingsinkomen, zoals een werkloosheids- of ziekte-uitkering, dan bepaalt die situatie mee hoeveel u ontvangt.
De meeste stelsels werken met drie gezinscategorieën, maar wie precies in welke categorie valt, verschilt per instelling:
- Met gezinslast: u woont samen met een gezinslid dat financieel van u afhangt, bijvoorbeeld een partner zonder beroeps- of vervangingsinkomen.
- Alleenwonende of alleenstaande: u woont alleen.
- Samenwonende: u woont samen met iemand die zelf een inkomen heeft, en u valt niet in een van de twee andere categorieën.
Wat telt als samenwonen en wat niet?
Of u samenwoont, is een feitenkwestie. Bij de werkloosheid beslist de directeur van de RVA, en die gaat vooral na of u door het delen van kosten geld bespaart. U hoeft niet alles samen te regelen: het volstaat dat u de belangrijkste huishoudelijke aangelegenheden samen regelt, zoals huur, energie en boodschappen.
Uw adres in het bevolkingsregister is daarbij niet doorslaggevend. De RVA kan beslissen dat u samenwoont, ook als u volgens het register apart woont. Ook het OCMW gaat bij een leefloonaanvraag uit van een sociaal onderzoek naar uw feitelijke situatie, ook als die verschilt van uw administratieve situatie.
Voor de RVA tellen ook deze personen nog als samenwonend:
- personen die tijdelijk om beroepsredenen ergens anders verblijven;
- personen die in de gevangenis zitten, geïnterneerd zijn of in een psychiatrische instelling verblijven, maar alleen de eerste 12 maanden.
Bij het OCMW geldt een uitzondering voor daklozen. Wie tijdelijk en kort door een familielid of vriend wordt opgevangen, kan toch het leefloon als alleenstaande krijgen als er een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) is afgesloten. Dat project beschrijft de stappen die de betrokkene met hulp van het OCMW zet om een einde te maken aan de dakloosheid. Meer over die begeleiding leest u bij het Sociaal Huis en het OCMW.
Samenwonende en uw werkloosheidsuitkering
De RVA deelt werklozen in drie categorieën in: werknemers met gezinslast, alleenwonenden en samenwonenden zonder gezinslast. Die laatste groep krijgt het laagste dagbedrag. Uw gezinssituatie bepaalt het bedrag van uw werkloosheidsuitkering en van de inschakelingsuitkering na uw studies.
Woont u samen met uw echtgeno(o)t(e) of partner, dan telt voor de RVA alleen het inkomen van die persoon. Heeft uw partner geen beroeps- of vervangingsinkomen, dan bent u werknemer met gezinslast. Heeft uw partner wel zo’n inkomen, dan bent u samenwonende. Of er nog andere mensen in huis wonen, speelt dan geen rol.
Werkt uw partner als werknemer en verdient die maximaal 1.030,89 € bruto per maand, dan telt dat loon niet mee als beroepsinkomen. Voorwaarde is wel dat u het aangeeft op het C1-formulier bij uw uitbetalingsinstelling. Het beroepsinkomen van uw kind telt niet mee tot 552,06 € bruto per maand. Ook het eerste beroepsinkomen dat uw kind na de studies verdient, telt gedurende 12 maanden niet mee, ongeacht het bedrag.
Vroeg u uw uitkering aan na 28 februari 2026, dan is ze beperkt in de tijd. Na de eerste 12 maanden volgt een tweede vergoedingsperiode van maximaal 12 maanden: één maand per 104 dagen beroepsverleden. Daarin krijgt u een vast bedrag dat afhangt van uw gezinssituatie. Voor een samenwonende zonder gezinslast is dat 29,85 € per dag, tegenover 70,99 € voor een werknemer met gezinslast en 57,53 € voor een alleenwonende.
| Situatie van de samenwonende (tweede periode) | Dagbedrag |
| Samenwonende zonder gezinslast | 29,85 € |
| Samenwonende met voldoende beroepsverleden (31 jaar in 2026) | 42,37 € |
| U en uw samenwonende echtgeno(o)t(e) hebben die maand elk maar recht op 29,85 € | 29,85 € met een verhoging van 5,65 € voor die maand |
Het vereiste beroepsverleden stijgt elk kalenderjaar met één jaar, tot 35 jaar in 2030. Uw uitbetalingsinstelling (een vakbond of de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen, HVW) betaalt de uitkering uit. Daar geeft u ook uw gezinssituatie aan.
Samenwonende en het leefloon van het OCMW
Voor het leefloon bestaan er drie categorieën. Categorie 1 is voor samenwonenden, categorie 2 voor alleenstaanden en daklozen met een GPMI, en categorie 3 voor personen die samenwonen met een gezin ten laste. U valt in categorie 3 als u samenwoont met minstens één ongehuwd minderjarig kind dat u ten laste hebt.
Het leefloon is een individueel recht. Woont u samen, dan kunt u het dus zelf aanvragen als u aan de voorwaarden voldoet, ongeacht uw relatie met uw huisgenoot. Het OCMW stelt na een sociaal onderzoek vast in welke categorie u valt. Studeert u nog, dan gelden er extra voorwaarden, zie het leefloon voor studenten.
| Categorie leefloon (vanaf 1 september 2026) | Bedrag per maand |
| Categorie 1: samenwonende | 911,56 € |
| Categorie 2: alleenstaande | 1.367,34 € |
| Categorie 3: persoon met gezin ten laste | 1.847,89 € |
Het verschil tussen samenwonen en alleen wonen bedraagt dus 455,78 € per maand. Het leefloon is aan de index gekoppeld: als de spilindex wordt overschreden, stijgen de bedragen.
Samenwonende en uw ziekte- of invaliditeitsuitkering
Bent u werknemer of werkloze en wordt u arbeidsongeschikt, dan houdt uw ziekenfonds rekening met uw gezinssituatie voor het minimumbedrag vanaf de eerste dag van de vierde maand. Ook het bedrag van uw invaliditeitsuitkering hangt ervan af. Voor zelfstandigen telt de gezinssituatie al vanaf de eerste dag, zie de ziekte-uitkering als zelfstandige.
Het ziekenfonds onderscheidt ook drie situaties: gerechtigde met gezinslast, alleenstaande gerechtigde en samenwonende gerechtigde. U bent samenwonende gerechtigde als u niet in een van de twee andere situaties valt. Het ziekenfonds betaalt u ook als samenwonende uit zolang het niet de nodige gegevens heeft om u als gerechtigde met gezinslast of als alleenstaande te vergoeden.
U blijft voor het ziekenfonds wel alleenstaande als u samenwoont met personen die geen enkele vorm van inkomen hebben en die niet als persoon ten laste gelden. Betaalt u als alleenstaande onderhoudsgeld van minstens 111,55 € per maand op basis van een gerechtelijke beslissing of een notariële akte, dan geldt u zelfs als gerechtigde met gezinslast. Dat bedrag wordt niet geïndexeerd. Meer over de regels leest u bij onderhoudsgeld.
Het ziekenfonds controleert uw gezin via het rijksregister en stuurt u een formulier, tenzij u alleen woont. Daarna moet u elke wijziging in de samenstelling of de inkomsten van uw gezin zo snel mogelijk aan uw ziekenfonds melden. Wanneer het geld op uw rekening komt, leest u bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkering.
Samenwonen na uw pensioen: de IGO
Ook bij de inkomensgarantie voor ouderen (IGO) maakt samenwonen een verschil. De Pensioendienst kijkt met wie u uw hoofdverblijfplaats deelt. Bent u als enige op uw adres gedomicilieerd, dan krijgt u als alleenstaande het verhoogd basisbedrag. Woont u samen, dan krijgt u het basisbedrag.
Toch geldt u voor de IGO ook als alleenstaande als u uitsluitend samenwoont met minderjarige kinderen, met meerderjarige kinderen die recht geven op kinderbijslag, met bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, zoals uw (groot)ouders of (klein)kinderen, of met personen die in hetzelfde rusthuis, verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis verblijven. Woont u samen met uw partner of met een andere persoon, bijvoorbeeld een vriend, dan krijgt u het basisbedrag. Overweegt u kangoeroewonen, ga dan vooraf na hoe dat meetelt voor uw uitkering. Ook voor het overlevingspensioen en het gezinspensioen loont het om uw gezinssituatie goed na te kijken.
Wat moet u melden als u gaat samenwonen?
Elke instelling verwacht dat u zelf meldt dat uw gezinssituatie verandert. Gaat u samenwonen, of verhuist er iemand bij u in of uit, dan geeft u dat door aan elke dienst die u een uitkering betaalt. Geef elke wijziging meteen door: als u dat niet doet, kunt u te veel ontvangen bedragen later moeten terugbetalen.
Bij de werkloosheid doet u dat met het C1-formulier bij uw uitbetalingsinstelling, bij uw aanvraag en bij elke wijziging. Ontvangt u werkloosheidsuitkeringen en verandert het inkomen van uw partner elke maand, dan dient u ook een C110A-formulier in voor de maanden waarin dat inkomen onder de grens blijft.
- Werkloosheid: C1-formulier bij uw vakbond of de HVW.
- Ziekte en invaliditeit: het formulier van uw ziekenfonds, met de gevraagde bewijsstukken.
- Leefloon: uw maatschappelijk werker bij het OCMW.
- IGO: de Pensioendienst.
Samenwonen of apart wonen: waar moet u op letten?
Samenwonen levert u vaak een lagere uitkering op, maar ook lagere kosten. Of dat voor u gunstig uitvalt, hangt af van het inkomen van uw huisgenoot. Woont u bijvoorbeeld samen met een partner zonder inkomen, dan bent u bij de RVA werknemer met gezinslast en krijgt u net een hoger bedrag.
Woont u alleen met uw ouders, dan bent u voor de RVA samenwonende zodra een van hen een beroeps- of vervangingsinkomen heeft. Voor een pensioen van uw ouders gelden aparte grensbedragen: tot 1.779,27 € bruto per maand, samen opgeteld, geldt het niet als vervangingsinkomen. Woont u uitsluitend samen met bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad én met een of meer kinderen, of toont u met een attest van de FOD Sociale Zekerheid aan dat een van die bloed- of aanverwanten geen enkele autonomie meer heeft of minstens 9 punten verloren heeft, dan stijgt die grens van 1.779,27 € tot 2.885,99 € bruto per maand.
Twijfelt u over uw categorie, vraag het dan na bij de dienst die u betaalt, nog voordat u gaat samenwonen of verhuist. Bent u pas werkloos geworden, schrijf u dan eerst in als werkzoekende bij de VDAB en bezorg uw uitbetalingsinstelling het C4-formulier samen met het C1-formulier.